Geweld tegen moslims is geen incident maar de normalisering van anti-islambeleid
Op dinsdag 16 juni 2026 berichtte de NOS over de toenemende anti-islamitische sentimenten in de samenleving en het stijgende aantal aanvallen op moskeeën en andere islamitische instellingen. In korte tijd werden verschillende moskeeën doelwit van bekladdingen, intimidatie, vernielingen en bedreigingen. Diverse organisaties hebben erop gewezen dat deze ontwikkeling niet los kan worden gezien van het politieke en maatschappelijke klimaat, waarin negatieve beeldvorming over moslims steeds nadrukkelijker aanwezig is. Toch worden dergelijke incidenten nog te vaak beschouwd als op zichzelf staande uitingen van individuen met extreme opvattingen. Daarmee wordt een dieper maatschappelijk proces miskend: de geleidelijke normalisering van vijandigheid jegens moslims en islamitische instellingen.
De vraag is daarom niet alleen waarom sommige individuen overgaan tot haatmisdrijven, maar ook waarom een groeiend deel van de samenleving zich steeds minder geremd voelt om vijandigheid jegens moslims openlijk te uiten. Dit kan moeilijk los worden gezien van een jarenlang discours waarin de islam en moslims hoofdzakelijk worden besproken in termen van veiligheidsrisico’s, integratieproblematiek, buitenlandse beïnvloeding en vermeende spanningen met nationale waarden.
Deze benadering heeft zich niet beperkt tot politieke uitspraken, maar heeft ook zijn weerslag gevonden in beleid. Zo hebben opeenvolgende kabinetten specifieke onderzoeken ingesteld naar buitenlandse financiering van moskeeën, hebben gemeenten binnen het kader van radicaliseringsbeleid moslimgemeenschappen disproportioneel onder de loep genomen en werd de omstreden methode van ‘problematisch gedrag signaleren’ toegepast, waarbij religieuze beleving en conservatieve opvattingen soms impliciet als risicofactoren werden beschouwd. Hoewel veiligheid een legitiem overheidsbelang is, draagt een eenzijdige focus op islamitische instellingen bij aan de beeldvorming dat moslims een uitzonderingscategorie vormen die permanent moet worden gemonitord, beheerst of gecorrigeerd.
Hierdoor ontstaat een proces van maatschappelijke gewenning. Ideeën die enkele decennia geleden nog als discriminerend zouden zijn aangemerkt, worden tegenwoordig gepresenteerd als noodzakelijke maatschappelijke discussies of zelfs als legitieme beleid. De grens tussen kritiek op religieuze overtuigingen en structurele vijandigheid jegens de aanhangers daarvan vervaagt geleidelijk.
Wanneer een individu met een islamitische achtergrond een ernstig misdrijf pleegt, wordt de islam vaak onderwerp van maatschappelijk debat, terwijl vergelijkbare misdrijven door niet-moslims veelal als individuele daden worden beschouwd. Deze ongelijke benadering draagt bij aan de beeldvorming van moslims als een permanente bron van dreiging.
De gebeurtenissen in Noord-Ierland illustreren deze dynamiek. Een gewelddaad gepleegd door één persoon leidde niet alleen tot veroordeling van de dader, maar ook tot geweld en vernielingen gericht tegen moslims die geen enkele betrokkenheid hadden bij het incident. De toename van anti-islamitische incidenten dient daarom niet uitsluitend te worden beschouwd als een veiligheidsvraagstuk, maar als een symptoom van een dieper maatschappelijk proces waarin overheidsbeleid, politieke retoriek en publieke discussies bijdragen aan het construeren van de islam als een uitzonderingscategorie.
Voor moslims ligt de uitdaging daarom niet slechts in het veroordelen van incidenten, maar in het blootleggen van het beleid en discours die deze normaliseren. Tegelijkertijd blijft het van belang de islam met trots en overtuiging uit te dragen en niet toe te staan dat anderen bepalen hoe de islam en moslims worden gedefinieerd.
Okay Pala Mediavertegenwoordiger Hizb ut Tahrir Nederland